Vorige week zat ik met een klant de uitdraai van zijn manuscript te lezen. Met een wat moedeloze blik in zijn ogen zei hij: ‘Ik krijg het maar niet zoals ik het wil.’ Hij wilde een biografie schrijven over zijn vader, die schoenmaker in Hilversum was. ChatGPT, natuurlijk niet het beste systeem om teksten te produceren die natuurlijk klinken, had drie versies voor hem aangeleverd. Op zich waren die allemaal vlot en foutloos geschreven, maar om nu te zeggen dat het lekker weglas; nee. Het klonk te onpersoonlijk. De tekst mist de ziel van een mens.
Ik gaf hem een aantekenboekje dat ik aan al mijn klanten geef en vroeg hem om op zijn eigen manier in vijf zinnen te vertellen wat hij kwijt wilde. Ik formuleerde voor hem een paar vragen waarop hij antwoord moest geven, zoals: wat hij als kind zag op het moment dat hij de werkplaats van zijn vader binnenkwam. Zijn ogen schoten even omhoog alsof hij iets wilde visualiseren en schreef over de bekende leerlucht, de halve sigaar die in het asbakje lag en dat zijn vader altijd één wenkbrauw optrok bij het horen van de winkelbel.
In die paar zinnen zag hij zijn vader aan het werk. Dat was zijn vader!
De enige chatbot die dat bij benadering kan imiteren is Claude, maar daar kom ik in een ander artikel wel een keer op terug. Voor nu wil ik alleen aantonen dat je je eigen brein het creatieve proces moet laten doen, niet een taalmodel, want als je te veel en verkeerd gebruikmaakt van AI, loop je het risico op digitale dementie, met als gevolg een teruggang in je cognitieve ontwikkeling….
Lees verder

Het regent. De trein heeft vertraging. De boodschappen zijn weer duurder geworden. De wachttijd bij de huisarts loopt op tot drie weken. De zomer was te kort. De winter te lang. De overheid doet het fout, de gemeente ook, en de buurman gooit zijn gft-afval al weken in de verkeerde bak.
Je hebt een boek in je hoofd en misschien loop je al een paar jaar met het idee rond. Je weet wat je wilt zeggen, je weet voor wie je het schrijft, maar zodra je achter je scherm zit, gebeurt er weinig. Veel mensen beginnen, lopen vast, beginnen opnieuw en gooien het dan weer weg omdat het niet klinkt zoals ze willen.
Het is weer Boekenweek van 11 tot en met 22 maart. Dan staat heel Nederland in het teken van het geschreven woord, dit jaar onder het thema ‘Mijn generatie’. En terwijl we massaal naar de boekhandel trekken voor het Boekenweekgeschenk, valt er iets op in de schappen. Waar je vroeger struikelde over stapels zakelijke managementbijbels, liggen die nu in behoorlijk mindere mate naast kleurrijke romans en fantasierijke kinderboeken.
Wie een vergaderruimte binnenstapt, realiseert zich waarschijnlijk niet dat hij of zij met zijn of haar taalgebruik onbewust een geschiedenisboek binnenstapt. Onze zakelijke taal zit vol met echo’s uit het grijze verleden, van Romeinse legerkampen tot stoffige handelsregisters. Neem het woord salaris. Wie realiseert zich dat we in essentie nog steeds over ‘zoutgeld’ (salarium) praten? Het woord is een herinnering aan de tijd dat zout een betaalmiddel was dat letterlijk leven en dood betekende.
Nederlandse politici zijn dol op de ‘hardwerkende Nederlander’. Die term duikt op in elk verkiezingsprogramma, elk Tweede Kamerdebat en elke toespraak waarbij iemand een stropdas draagt én toch ‘gewoon’ wil overkomen. Maar als er hardwerkende Nederlanders zijn, wat zegt dat dan over de rest? Ik heb dat eens voor je uitgezocht en dit is het resultaat: