Ik had een lieve tante die deftig wilde zijn. Omdat haar veel geld en een opleiding niet gegund waren, werd zij verbaal deftig. Bij een bezoek werden wij uitgenodigd voor een koppie kofje; dat klonk in haar oren deftiger. Zij zei ook naar Rokanjé sur Mer op vakantie te zijn geweest. Dat klinkt toch heel wat deftiger dan het op zijn Rotterdams uitspreken van Rockanje, de badplaats onder de rook van Rotterdam’.
Een bevriende relatie sprak met een hete aardappel in de keel omdat hij dacht dat dit hem prestige zou opleveren, en laten we ook niet de gymnasiasten en corpsballetjes vergeten die gretig gebruikmaken van Franse leenwoorden en Latijnse uitdrukkingen om te laten om … tja, waarom eigenlijk?
Als amateurpresentator van een radioprogramma leerde ik al snel geen moeilijke woorden te gebruiken, want als ik dat wel had gedaan, had ik snel veel luisteraars kwijtgeraakt.
De lessen die ik toen leerde gebruik ik nog steeds in mijn vak als speechschrijver, columnist en ghostwriter. Soms krijg ik teksten onder ogen die klinken alsof ze door iemand in een toga zijn geschreven. Ze staan vol Latijnse uitdrukkingen en de voorkeur wordt gegeven aan allerlei leenwoorden, bij voorkeur uit het Frans, terwijl daarvoor in het Nederlands prima en zelfs betere alternatieven zijn voor iedere mediocre scribent; middelmatige pennenlikkers.
Latijn als pronkstuk in de etalage
Laat ik wat praktijkvoorbeelden geven om duidelijk te maken wat ik bedoel.
Iets op stel en sprong in gang te zetten heet bij hen geen noodoplossing, maar een ad hoc-regeling. Als iets er eigenlijk niet toe doet, wordt dit pro forma genoemd. Je ziet de spreker bijna plechtig knikken, alsof Cicero werd geciteerd.
Mijn opvatting is simpel: kakkers gebruiken Latijn om indruk te maken. Het is de taal van een klasse die vroeger de lakens uitdeelde. Wie Latijn sprak, had gestudeerd. Wie gestudeerd had, hoorde bij het clubje dat de dienst uitmaakte en mocht tijdens zijn werkzame leven lid worden van een Rotary- of Lionsclub.
Die tijd is voorbij. Het Latijn is als het oude harnas dat bij mij in de woonkamer staat, maar niemand beschermt. Ik stof het wel regelmatig af, zoals ik dat met mijn teksten doe. Wie Latijn gebruikt, laat vooral zien hoe krampachtig ze zich vastklampen aan oubollige taal uit vervlogen tijden. Het is in mijn opvatting onnodige dikdoenerij. Doe maar gewoon, ook met taal, dan doe je gek genoeg.
Wat staat er nou eigenlijk? ‘Quid pro quo’ is gewoon ‘voor wat, hoort wat’. Dat zeg je als er sprake is van een tegenprestatie.’Pacta sunt servanda’ is het deftige broertje van ‘afspraak is afspraak’. Dat laatste snapt iedere marktkoopman zonder woordenboek.
Wat ik wel mooi vind, is de uitdrukking ‘pro deo’. Letterlijk betekent het ‘voor God’. Je krijgt een ‘pro deo-advocaat’ toegewezen als je die zelf niet kunt betalen. Kan hij deze rekening indienen aan de hemelpoort in ruil voor een mooiere villa, ‘quid pro quo’? Tegenwoordig betaalt de overheid een flink deel van de advocaatkosten. Die zit dichter bij huis en het adres waarnaar de rekening kan worden gestuurd is ook bekend.
Frans uit de salon
Zoals je weet, hebben wij een poosje onder Frans toezicht gezeten en die tijd is tot nu toe nog in ons taalgebruik gebleven. Frans was een deftige taal en lang de voertaal van de adellijke en politieke elite. Wie wilde meetellen, gebruikte dan ook Frans te pas en onpas.
Een deel van die woorden is ondertussen zo ingeburgerd dat niemand er meer van opkijkt. Paraplu komt van het Franse parapluie, dat is gevormd naar het voorbeeld van de parasol. Het woord dook in 1786 in onze taal op. Wie nu nog om een regenscherm vraagt, wordt waarschijnlijk meewarig aangekeken. Over cadeau en bureau hoeven we ook niet moeilijk te doen; die horen allang bij de taalfamilie, maar ik ken mensen die het toch liever bij buro en cadeau houden.
Anders wordt het in het zakelijke taalgebruik. Daar hebben ze het over sommatie, waar het woord ‘aanmaning’ prima voor is. Iemand désavoueren betekent dat je hem openlijk laat vallen. Dat laatste doet je lezer ook met je tekst zodra die over dat woord struikelt.
Spreek je moerstaal
Tijdens de wandeling van 800 kilometer langs de Camino Francés sprak ik onderweg mensen van alle rangen en standen. Niemand vroeg of ik bona fide was. Ze keken me aan, deelden hun brood en wisten genoeg.
Taal werkt precies zo. Schrijf je teksten vol Latijnse bewoordingen, waar advocaten en notarissen nogal eens een handje van hebben. Ze scheppen vaak afstand waar ze juist verbindend moeten zijn. Doe maar gewoon, dan doe je al gek genoeg. Dat klinkt misschien boers, maar het werkt. Een lezer die je begrijpt, leest door tot de laatste bladzijde en wordt zelfs fan van je volgende werk.
Wil je weten waar onze woorden vandaan komen, hoe je daarmee zakelijke beslissingsprocessen positief kunt beïnvloeden en vertrouwen kunt wekken? Lees dan mijn e-boek ‘Waar heb je het over’ voor ‘mutatis mutandis’; pas het even aan, dan neem je een voorsprong op je concurrenten.
